Herinneringen van een Helderse schooljongen | Leger des Heils (J.T. Bremer, 1988)

In het boekje Herinneringen van een Helderse schooljongen (1988), schrijft Jan Bremer iets over zijn herinneringen aan het Leger des Heils. Het volledige stukje is ongewijzigd hieronder overgenomen.

Bloed en vuur stonden in het vaandel en de omslag van het liedboek was paars, bepaald géén vrolijke kleur. Maar in mijn herinnering scheen altijd de zon als we op weg waren naar de zaal van het Leger des Heils aan de Spoorgracht. De muziek, de schitterende, schetterende kopermuziek was altijd vrolijk. En als het een droevige melodie was, dan nóg was het niet triest. Als de tonen van de trombone tastend hun weg zochten tussen de pilaren van de legerzaal ging je vanzelf meezingen: ‘Jezus, Gij zijt Alles mij in al.’ We gingen altijd achterin zitten. Het gaf niet als je te laat binnenkwam en je kon er ook weer eerder uitlopen zonder dat je iemand stoorde. Niemand zei daar iets van en dat was goed. Waar anders kon je als vader met drie kleine jochies zó gemakkelijk terecht (moeder was thuis met de baby) als bij het Leger? En je verveelde je er nooit. Er was van alles te zien en er gebeurde altijd wel iets. ‘t Mooiste was de muziek, niet alleen om te horen, maar ook om te zien. De bolle wangen van de blazers, vooral die van die hele grote, zware toeter: poem, poem, poem. De dreunende trom, de rinkelende bellen en de boven alles uitspelende trompetten. Het was alles even opwindend. Zelfs de toespraken waren niet vervelend, het duurde nooit lang. En je mocht er zó maar tussendoor roepen: amen of, nog mooier, ‘hal-le-lu-ja!’ Jaren later hoorde ik het verhaal van een heilssoldaat die in het gereformeerde bejaardentehuis terecht was gekomen. Tijdens de kerkdiensten die in het tehuis gehouden werden, betuigde hij óók zo nu en dan luidkeels instemming met het gesprokene. Omdat anderen dat ‘niet netjes, oneerbiedig’, hinderlijk’ vonden, verbood de directie kreten van instemming. Maar wat doe je als oude heilssoldaat als je ‘t weer eens gehéél met de spreker eens bent? Juist, je roept blij instemmend halleluja!’ Tenslotte dreigde de directrice met ontzegging van de soep bij het eten, als het verbod weer werd overtreden. En toen kwam de zondagmorgen dat de dominee weer zó to-the-point was dat de heilssoldaat uitriep: Soep of geen soep: halleluja!’

In de legerzaal was niet alleen allerlei te horen, er was ook van alles te zien. In de zaal zaten gewone mensen, maar ook veel in uniformMannen in uniform, dat kenden we wel. Hier echter liepen ook vrouwen in legerkledij en dát boeide me zeer. Nee, mooi vond ik ze niet, die soms zo hobbelige boezem en die vreemd gestrikte hoedjes, maar hoe dat anders zou moeten wist ik ook niet. Prachtig vond ik ook het vaandel, rechtsachter op het podium: rood met een gele ster en een blauwe rand. Maar het allermooiste was het optreden van broeder Slot, de korps-sergeant-majoorVoor mij was hij de allerhoogste. Een lange kaarsrechte man, met prachtig zilvergrijs haar en een schitterende snor. Hoe of die vertellen kon! Ademloos luisterde ik als hij met luide stem en grootse armbewegingen beschreef hoe hij in de macht van de satan was geweest. Hij had gevochten en verloren, telkens weer. Hij had in de goot gelegen, zó erg was het geweest. Maar Jezus had hem gered. Jezus was overwinnaar. Hij was gisteren en heden dezelfde, halleluja. Als hij zo sprak en vertelde dat er redding was voor iedereen, hoe diep hij ook gezonken was dan kon t gebeuren dat iemand opstond en struikelend naar voren liep. En dan kwam broeder Slot van het podium af en liep mét de zondaar naar achteren om daar door een deur te verdwijnen… Dat was wel jammer, want dan kon je niet zien wat er verder gebeurde. Gelukkig ging de muziek weer spelen en schalde er weer een lied, een krijgslied, een overwinningslied door de zaal. En als je dan weer buiten kwam scheen de zon en alles in je zong…

Vergelijkbare berichten